Visie op OTO

Ons onderwijs

 “Wat we vandaag samen doen, doe je morgen alleen”
(Vygotsky, onderwijspsycholoog)

 

Adaptief Onderwijs

Wat is nu precies adaptief onderwijs en wat heb ik daaraan? Het is goed om eerst te kijken naar waar adaptief onderwijs nu precies uit is opgebouwd. Daar beginnen we dus eerst mee alvorens we gaan kijken hoe we de theorie gaan koppelen aan de praktijk.

Adaptief Onderwijs is opgebouwd uit verschillende basisvoorwaarden; drie van deze basisvoorwaarden zijn onontbeerlijk om te komen tot het leren. Dat zijn de voorwaarden Relatie, Competentie en Autonomie.

  • Relatie: het kunnen en durven vertrouwen op de ander in een onderwijsomgeving. Dat kunnen docenten, medestudenten, waarnemers etc zijn. Iedereen die bij het onderwijs betrokken is heeft op een of andere manier een relatie met de student. Hoe groter het leereffect kan zijn hoe belangrijker de relatie een rol gaat spelen. Van een persoonlijke coach leer je meer dan van een waarnemer. Maar juist de relatie met je persoonlijke coach is ook van waarde als je in de training bijvoorbeeld tegen grenzen aanloopt en daardoor blokkeert in je optreden.
  • Competentie houdt in dat wat studenten uiteindelijk zouden moeten kunnen, kennen durven als zij het onderwijsproces hebben doorlopen. Natuurlijk hoeft niet alles opnieuw te worden aangeleerd, sommige competenties worden al beheerst. Anderen moeten worden aangeleerd en misschien belangrijker nog in deze context; er zijn ook competenties die moeten worden afgeleerd. Daarvan is alles “zelf doen” misschien wel de meest herkenbare.
  • Autonomie in het onderwijs houdt in dat studenten heel goed in staat zijn om zelf een rol te spelen in hun onderwijs of trainingsproces. Het is bewezen dat als studenten zelf mogen bepalen wat hun leerdoelen zijn voor een bepaalde oefening of training zij daardoor een veel hogere intrinsieke motivatie ontwikkelen en daardoor makkelijker leren. Het uiteindelijke leerrendement is dan ook substantieel hoger. Het is voor veel trainers een valkuil om alles te willen vertellen; “als je het zo doet dan is het goed” onderwijs. Daarentegen is het veel efficiënter als coach om juist in een vragende modus te gaan zitten en de student te laten zeggen wat jij als coach of trainer wilt horen. Daarmee laat je veel meer denken dan alleen maar doen. Ook het uitgaan van de eigen werkomgeving van de student, eigen voorbeelden van incidenten, eigen ervaringen zijn allemaal voorbeelden van autonoom leergedrag.

Om te komen tot onderwijs en leren is het dus noodzakelijk dat de drie bovengenoemde voorwaarden worden gewaarborgd. Als er in een van deze drie een verstoring optreedt komt een student niet of minder tot leren. Het is logisch, maar als een student geen vertrouwen heeft in de docent dan zal dat duidelijk te merken zijn in de onderwijsresultaten. Als trainers is dit dus onze eerste prioriteit; het voorzien in deze drie bouwstenen voor goed onderwijs.

Naast deze drie basisvoorwaarden bestaan er nog meer onderdelen van het adaptieve onderwijs. Daarvan zijn de volgende drie begrippen degenen die relatie, autonomie en competentie opvolgen.

  • Interactie; dat hebben we binnen modern onderwijs en trainen eigenlijk zoveel mogelijk. Denk daarbij aan evaluaties, coachgesprekken, groepsbriefings en debriefings, ontwikkelgesprekken en de reguliere onderwijs en trainingsomgeving.
  • Instructie proberen we in het huidige onderwijs zoveel mogelijk tot een minimum te bepreken. Met instructie zeg je vaak wat iemand moet doen en we willen juist in de huidige tijd de studenten laten denken en zich bewust laten worden van hun eigen ontwikkeling. Individueel en in teamverband.
  • Onderwijsmanagement houdt in dat de onderwijsorganisatie alles moet organiseren en faciliteren zodat er een omgeving ontstaat waarin de student maximaal en ongestoord kan leren.

Uiteindelijk wordt het onderwijs afgesloten met drie begrippen die zowel vanuit het individu als vanuit de werkomgeving kunnen worden beschouwd.

  • Uitdaging houdt in dat de student in zichzelf de uitdaging moet zien te vinden of herkennen om deel te gaan nemen aan het onderwijs of de specifieke training. Daarnaast moet de organisatie of de werkgever de uitdaging durven aangaan om het personeel te scholen en te professionaliseren. Dit ondanks zaken als roosterdruk, capaciteit of andere organisatorische problemen.
  • Vertrouwen in jezelf als student is natuurlijk essentieel. Je moet van jezelf kunnen en durven zeggen dat je geschikt bent voor een functie, een rol of een examen. De organisatie moet natuurlijk ook het vertrouwen durven uit te spreken in het individu als het gaat om de benodigde capaciteiten. Maar ook het vertrouwen vanuit bijvoorbeeld de prive-situatie wordt door veel studenten als essentieel beschouwd.
  • Ondersteuning door de werkgever, door de thuissituatie of door welke betrokkene dan ook is uitermate belangrijk voor het slagen binnen het onderwijs of de training. Je moet je gesteund voelen, zeker weten dat er backup of een vangnet is.

Alle bovengenoemde begrippen zijn op hun beurt essentieel voor het succes van het onderwijs, of het succes van een training. Is er een verstoring, of ontbreekt het aan een van deze begrippen dan zal er altijd een lager onderwijsrendement zijn dan maximaal mogelijk.

Trainers, docenten maar ook de studenten zelf moeten zich dat ook realiseren als zij met elkaar aan het onderwijsproces gaan deelnemen. Voor de eerste groep is het natuurlijk de hoogste prioriteit om te zorgen voor een maximaal pedagogisch klimaat. Daarin kunnen de studenten dan in gezamenlijkheid trainen, oefenen en leren. Soms als individu, maar zeer zeker ook als team, ploeg of formatie.

Figuur Adaptief Onderwijs: